Jeroen Buve overleden

 


Onder deze link vindt u een digitale versie van de rouwkaart
en onder deze link de rouwadvertentie wegens het overlijden van

Dr Jeroen Dominicus Josef BUVE
Filosoof
Stichter van het Rudolf von Laun Instituut voor Toegepaste Metafysica
Grondlegger van de Geert Grote Universiteit (GGU)
Echtgenoot van Laetitia Catharina Maria Buve-Roorda van Genum

‘s-Gravenhage, 5 oktober 1935 – Deventer, 30 augustus 2017


 

Persbericht rechtszaak wegens anti-Armeense uitlatingen

Den Haag, 6 december 2016 – In Almelo is vandaag een aanvang gemaakt met de rechtszaak tegen de heer Ilham Askin, voorzitter van Turks-Azerbeidzjaanse Culturele Vereniging in Den Haag. Het betrof een regiezitting, waarbij de Officier van Justitie de telastelegging voorlas tegen de heer Askin en waarin afspraken werden gemaakt over de verdere procedure. De zitting, waarin de inhoudelijke behandeling van de zaak zal plaatsvinden, is vastgesteld op 3 maart 2017.

Lees hier het hele persbericht
 

Ontmoeting Armeense organisaties en GGU

Kort verslag van de ontmoeting tussen vertegenwoordigers van Armeense organisaties en GGU te Kampen op 6 december 2016 (14-16.30 uur)

Aanwezig: de heer Ir M. Hakhverdian (Voorzitter FAON), mevrouw Mr I. Drost (FAON-bestuurslid en Secretaris Abovian) en de heren Dr J.D.J. Buve (Voorzitter GGU) en Drs S.B.A. Buve (Secr. GGU)

Er was een goede klik tussen de GGU-bestuursleden en de vertegenwoordigers van de koepel van Armeense organisaties: de in Perzië geboren en in Moskou opgeleide Armeense ingenieur M. (Mato) Hakhverdian, die zeven talen spreekt, waaronder een vloeiend en gedragen Nederlands, is al zeer lang voorzitter van de Federatie Armeense Organisaties Nederland (FAON) te Den Haag, en daarmee een boegbeeld van de Armeense Nederlanders. Mevrouw I. (Inge) Drost, juriste en oud-ambtenaar van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, is ook FAON-bestuurslid en tevens secretaris van de Armeense Culturele Vereniging Abovian te Den Haag.

In een broodjeshuis tegenover het ijskoude universiteitsgebouw vond de eerste kennismaking tussen beide organisaties plaats, in de schaduw van de Boven- of Nicolaaskerk op de naamdag van de middeleeuwse stadspatroon van Kampen.

De heer Hakhverdian en mevrouw Drost kwamen net terug van een regiezitting bij de rechtbank in Almelo, waar ze, goed beschermd door de parketpolitie, door een achteruitgang naar binnen waren geloodst, omdat bij de hoofdingang een paar busladingen Turkse jongemannen stond te protesteren. De zitting hield verband met doodsbedreigingen door Turken aan het adres van de Armeense gemeenschap naar aanleiding van het in 2014 onthulde genocidemonument bij de Armeens-Apostolische Kerk te Almelo (Armenian Genocide Memorial Almelo / AGMA), waartegen door duizenden Turken werd gedemonstreerd. Op de vraag waarom zij maar met z’n tweeën naar de rechtbank waren gekomen, en de Turken met zovelen, antwoordden de FAON-bestuurders dat Diyanet (het directoraat Godsdienstzaken van het Turkse Ministerie van Algemene Zaken, dat de meeste Turkse imams in Nederland en andere Europese landen benoemt, red.) met een vingerknip duizenden jonge Turken uit alle windstreken kan mobiliseren, die kennelijk niets anders te doen hebben, terwijl de Armeniërs van die leeftijd gewoon op school zitten op dinsdagochtend, of aan het werk zijn. Het hele integratieprobleem even in een notendop.

Wij hebben de structuur van de GGU uitgelegd en met name dat de GGU in Kampen een coöperatie zal worden, waarin zelfstandige Instituten op gelijke voet met de GGU als één van de coöperatieve partijen samenwerken. Het ging om een eerste kennismaking, waarin beide partijen een indruk van elkaar konden krijgen. Van GGU-zijde viel op dat de Armeniërs onder de indruk waren van de kwaliteit van wat de GGU zoal publiceert. Uit het gesprek kwam naar voren, dat de Armeniërs in Den Haag een centrum hebben, waar zij praktische taallessen geven, waar mensen uit het hele land, maar vooral uit West-Nederland, naar toe komen en waar ook een bibliotheek aanwezig is. Het zwaartepunt van de Armeense gemeenschap ligt naast Amsterdam vooral in Overijssel. Daarom is Kampen niet zo’n gekke plek voor een Armeens Instituut voor Taal en Cultuur.

Het opheffen van de leerstoel in Leiden wordt zeer betreurd. Een poging om daar vanuit de Armeense gemeenschap iets aan te doen, werd door de structurele financieringswijze van de Universiteit te duur. Daarom lijkt het mogelijk dit in Kampen met een veel bescheidener overhead wél mogelijk te maken. De GGU heeft duidelijk gemaakt dat ze vooralsnog alleen het huisvestingskader kan leveren en een aantal voorstellen in petto heeft van geleerden, die bereid zouden kunnen zijn bij de wetenschappelijke inrichting van het Instituut mee te werken zonder al te grote vergoedingen. Al die geleerden zijn lid van de Association Internationale des Etudes Arméniennes (AIEA).

Na het gesprek is aan de FAON-vertegenwoordigers een rondleiding door het gebouw aan de Oudestraat 6 gegeven. Zij waren zeer onder de indruk van de kwaliteit en de zeer goede inwendige toestand van het pand, waarin de GGU zo maar zou kunnen beginnen. De GGU kon ook de ruimtes laten zien, die zij zelf in gedachte had om voor de Armeniërs te reserveren.

Ter documentatie ontving de GGU twee exemplaren van het boek Armeniërs in Nederland. Een verkennend onderzoek, uitgegeven door de FAON (Den Haag, 2008). De GGU heeft het eerste nummer van De Nieuwe Merkuur (met daarin het artikel “Armenië in Almelo”) overhandigd, alsmede een exemplaar van het GGU-Ondernemingsplan.

Impressie van het 5e Slavisch Symposium

5e SLAVISCH SYMPOSIUM, Kampen, 26 november 2016

Geen Cubaanse, maar Russische temperaturen heersten in de oude drank- en sigarenstad Kampen op zaterdag 26 november 2016. De GGU-traditie om op het eerste weekeinde dat de vorst ons aan onze nationale rivier, de IJssel, dwingt om ruiten te krabben, een Slavisch Symposium te organiseren, is op deze dag in ere hersteld. Een kille en in mist gehulde Hanzestad bracht de bezoekers uit binnen- en buitenland meteen in de juiste stemming.

In 2010, 2011, 2012 en 2013 werden de eerste vier Slavische Symposia door het Gerson Instituut in Deventer georganiseerd, en in 2016 dus voor het eerst in Kampen, de nieuwe vestigingsplaats van de GGU.

Zoals ook toen bestonden de deelnemers zowel uit wetenschappers, zoals slavisten en (kunst)historici van verschillende instituten en vakgroepen (waaronder een onderzoeker berestologie van de Universiteit Leiden), als uit mensen van de praktijk, zoals leraren, Russische tolken en eigenaren van vertaalbureaus. Deze laatsten konden hiermee PE-punten verwerven, al was dat naar eigen zeggen niet de doorslaggevende reden om mee te doen. De meeste mensen werden gedreven door inhoudelijke belangstelling voor het onderwerp en het in levenden lijve ontmoeten van vakgenoten – en ze kwamen niet bedrogen uit.

RUSSISCHE VORSTEN EN DEMOCRATIE

Thema van het Slavisch Symposium was ditmaal: ‘Onderbelichte Vorstelijke Relaties tussen Oost en West’. De drie sprekers waren Russisch (Lika Smirnova), Belgisch (Emmanuel Waegemans) en Nederlands (Marie-Thérèse ter Haar, vlak voor haar lezing ingevlogen uit Moskou). Dagvoorzitter was Sybrand Buve. De voertaal was Nederlands.

Rode draad van het hele symposium bleek naast vorsten en (vooral) vorstinnen ook ‘democratie’ te zijn, of liever gezegd: de grote moeite die de meeste opgevoerde figuren hadden met Westerse concepten als democratie, constitutie en rechtsstatelijkheid.

In een uitermate levendig en bij tijd en wijle zelfs hilarisch betoog deed Prof. Dr Emmanuel Waegemans (KU Leuven) zijn recente onderzoek naar Peter de Grote en de Nederlandse Republiek uit de doeken, en dan met name zijn Tweede Reis uit 1716-1717, die nu drie eeuwen geleden in Deventer begon.

Over de eerste reis, het Grote Gezantschap van 1697-98, is al erg veel gepubliceerd – waarbij de een de ander overschrijft – maar de tweede reis was nog behoorlijk onontgonnen terrein. Bronmateriaal moest worden opgeduikeld in Russische, Nederlandse, Belgische en Franse archieven. “In tegenstelling tot wat men zou denken, blijken voor de bezoeken van Peter de Grote relevante nummers van een Oprechte Haerlemse Courant of Amsterdamsche Courant eerder in Russische dan in Nederlandse archieven vindbaar te zijn”, aldus Waegemans.

Peter de Grote was een nieuwsgierig en leergierig man, en de invloed die Nederland op hem, en daarmee op de opbouw van het Russische Rijk had, kan volgens Waegemans moeilijk worden overschat, maar dan wel alleen op praktisch gebied. “Zaken als opera, kunst, maar ook politieke theorie en filosofie interesseerden de Russische vorst in het geheel niet”, aldus Waegemans: “Ook had Tsaar Peter geen enkele belangstelling voor de wortels van het staatsbestel van de Nederlandse Republiek, waarvoor ‘constitutioneel’ of ‘democratisch’ wellicht te grote woorden zijn, maar die men toch wel ‘proto-democratisch’ zou kunnen noemen.”

TER HAAR EN WAEGEMANS OVER DE NEDERLANDSE WORTELS

Er ontspon zich naderhand een interessante discussie tussen Marie-Thérèse ter Haar en de door haar bewonderde Belgische geleerde Waegemans, wiens boeken zij allemaal gelezen bleek te hebben en die zij tot haar niet geringe vreugde bij de GGU in het echt ontmoette.
“Hoe is het toch mogelijk”, vroeg mevrouw Ter Haar zich af, “dat iemand als Peter die zo gulzig alle wetenschappelijke, technische en bedrijfskundige kennis in Nederland opslobberde, en die alles van de Nederlanders nadeed, tot en met het overnemen van woorden en van de vlag, dat die zich helemaal niet interesseerde voor de wortels ervan?”
Waegemans: “Politieke structuur van instellingen en staatstheorieën boeiden hem niet. Peter had geen interesse in de diepe wortels, maar alleen in de makkelijk plukbare vruchten van de Hollandse boom.”

Professor Waegemans bracht naar voren dat Peter weliswaar weinig theoretische belangstelling had, maar dat “zijn voornaamste gespreksgenoten, toch sleutelfiguren in de Nederlandse politiek, zoals Heinsius, de langjarige Raadpensionaris van Holland, en Nicolaes Witsen, de 13-voudig burgemeester van Amsterdam en VOC-bewindvoerder, maar ook andere leden van de Staten-Generaal, geen enkele moeite deden om belangstelling bij Peter op dit vlak op te wekken om de eenvoudige reden dat ze er zelf ook niet in geïnteresseerd waren.”

Onder de Nederlandse politici was dus niemand te vinden om de grondbeginselen van het staatsbestel aan Peter uit te leggen. Nieuwe technieken, gunstige handelsroutes en voordelige handelsovereenkomsten, dáár ging het om, en daar vonden de Hollandse Heren en Tsaar Peter elkaar.

Ook een door Peter in het geheim gevolgde zitting van de Staten-Generaal vond hij niet om uit te houden Zijn vriend Witsen had hem met een pruik over zijn oren getrokken de Trêveszaal binnengesmokkeld, maar hij wist niet hoe snel hij weer buiten moest geraken.
Hij noemde een parlement een “kletskamer” (говорильня, govoril’nja) en vond een Statenvergadering geen goed idee om mee naar huis te nemen.

“Het blijft natuurlijk speculatief, maar misschien was het wel anders gegaan met Rusland, als Peter op politiek theoretisch vlak wat meer bij de hand was genomen door zijn gastheren”, besloot Emmanuel Waegemans, voor wie het raadselachtig blijft waarom deze toppolitici en topbestuurders van destijds een van de meest machtige en moderne landen ter wereld geen blijk gaven van enige reflectie op het eigen staatsbestel, laat staan dat ze in staat waren een hierdoor gevoede politieke visie uit te dragen richting de tsaar.

AMSTERDAMSCHE MERCURIUS
Tekenend voor de ongevoeligheid voor historische en politieke reflectie van bestuurders en hun visieloosheid is dat de Amsterdamsche Mercurius van Jan van Gijsen een verschijningsverbod kreeg opgelegd wegens als smaad en laster bestempelde publicaties over de Russische Tsaar en zijn gevolg. Gelukkig heeft de Amsterdamsche Mercurius een waardig opvolger in De Nieuwe Merkuur, het lijfblad van de Geert Grote Universiteit waarin historische, politieke en economische reflectie voorop staan.

Ondanks zijn niet zo culturele inborst, was Peter wel de grondlegger van St. Petersburg en van de Hermitage waarvoor hij zijn ambassadeur vorst Boris Koerakin en agenten als Kologrivov in 1717 boeken, bustes, beeldhouwwerken en schilderijen van Hollandse meesters liet aankopen.

Een andere spilfiguur was Johannes van den Burg, die door Peter belast was met het toezicht op de 150 Russische studenten die in Nederland verbleven (studeren ging niet zomaar; er waren in Rusland nog geen universiteiten – Krakau was lang de meest oostelijke – er was toestemming nodig van de tsaar om het land te verlaten).

Toch eindigt Peters Tweede Reis wat in mineur. Ook al organiseert zijn vriend, de kaviaar- en wapenhandelaar Christoffel van Brants ten afscheid een Vredesfeestje van 14.000 gulden (nu miljoenen euro’s) – “het grootste feest ooit door een koopman gegeven” – en ook al compenseren de Staten eigenaren van alle door Peter en zijn gevolg uitgewoonde grachtenpanden, toch valt de Hollandse zuinigheid en gebrek aan durf Peter tegen. Ook dat Nederland weigerde Peters keizerstitel te erkennen, stak hem bijzonder, alsmede het feit dat de Staten-Generaal hun bondgenootschap met de door Peter verslagen Zweden niet wilden beëindigen. Peter trok in 1717 teleurgesteld door naar Frankrijk, waarmee hij een meer duurzame alliantie zou aanknopen.

CATHARINA DE GROTE ALS CULTUURKEIZERIN
De Russische kunsthistorica Lika Smirnova behandelde Tsarina Catharina II, de van oorsprong Duitse prinses die later de bijnaam ‘de Grote’ zou verwerven. Zoals haar voorgangster Elisabeth de barokkeizerin was, zo was Catharina de keizerin van het classicisme. Ze was een echte bouwkeizerin, die als geen andere heerser haar stempel heeft gedrukt op de Russische Rijk, voortbouwend op het werk van Peter de Grote, maar meer gericht op de culturele infrastructuur.

Haar kolossale uitgaven zag ze als een investering in de toekomst – en die heeft haar achteraf gelijk gegeven, want veel van door haar gebouwde paleizen hebben oorlog en revolutie doorstaan. Als bouwkeizerin hield ze persoonlijk toezicht op de vele projecten.
Ook bevorderde ze in haar Hoftheater toneelkunst, opera en ballet en gaf ze kamerconcerten, ook al was ze zelf niet bijzonder muzikaal aangelegd en moesten haar hofdames aangeven wanneer een keizerlijk applaus gewenst was. Kunst werd een vorm van propaganda.

Ze adopteerde complete privé-bibliotheken van verschillende grote Franse Verlichtingsfilosofen als d’Alembert, Voltaire en Diderot.

Daarnaast was Catharina ook een taalkeizerin. Onder haar bewind kwam het eerste Russische woordenboek tot stand (1789-1792). Ook was ze feministe avant la lettre.
Zo liet ze in haar Handvest vastleggen dat vrouwen voortaan zelf moesten instemmen met een huwelijk. Het Smolny-instituut werd door haar als internaat opgericht om een nieuwe elite van adellijke meisjes te vormen.

Catharina stelde in 1783 als eerste een vrouw aan het hoofd van de Keizerlijke Russische Academie van Wetenschappen en Schone Kunsten: vorstin Jekaterina Dasjkova (1743-1810). Op de benoeming van een vrouwelijke president heeft de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) tot 2015 moeten wachten (de benoeming van José van Dijck, red.), merkte Smirnova fijntjes op. De (nog altijd bestaande) Russische Academie diende de nationale culturele ontwikkeling te bevorderen. Russische geschiedenis, Russische religie en Russische taal waren haar speerpunten.

Zeker telde haar bewind ook minpuntjes, zoals 800.000 vrije boeren die onder haar lijfeigenen werden.

ANNA PAULOWNA EN HAAR KUNSTKONING
Net overgevlogen uit Moskou, waar zij afscheid had moeten nemen van een bevriend musicus, trakteerde Marie-Thérèse ter Haar, directrice van de Rusland en Oost-Europa Academie, de toehoorders op het levensverhaal van Neerlands Russische koningin, grootvorstin Anna Pavlovna (1795-1865). Zij was een kleindochter van Catharina de Grote en dochter van Tsaar Paul (1796-1801). In Nederland is zij beter bekend als Anna Paulowna. Marie-Thérèse ter Haar baseerde zich vooral op een van de meest betrouwbare bronnen waarop een geschiedschrijver zich kan baseren naast dagboeken: brieven, in dit geval de correspondentie met Anna’s lievelingsbroer Tsaar Nicolaas I (1825-1855).

Opvallend is dat ook bij Koningin Anna geen enkel democratisch besef aanwezig is, en dan zitten we toch halverwege de negentiende eeuw. Het volk moest op gepaste afstand blijven.

Niemand minder dan Napoleon had al eens naar Anna’s hand gedongen, maar deze ging uiteindelijk in 1816 – twee eeuwen geleden – naar Willem II, de latere koning van een klein, nat en kil landje dat Nederland was. Paleis Het Loo was goed voor de gouverneur van een oblast, maar toch niet voor een grootvorstin? Het bruisende Brussel beviel het paar beter.
Het verlies van België in de jaren 1830 bedroefde het kroonprinselijk paar zeer.
Bij de Belgische Opstand biedt broerlief aan een leger te sturen en de Belgen naar Siberië af te voeren. Volgens Nicolaas moet Nederland zeker niet toegeven, maar de opstand neerslaan (de Russen hebben hier ervaring mee, zoals in Polen). En Thorbecke had van Anna mee gemogen: een enkele reis naar Siberië. Thorbecke had volgens haar geluk dat ze zich zo goed kon beheersen, want anders…. had ze hem wat aangedaan.

De astronomische miljoenenschuld die ‘Kunstkoning’ Willem na zijn vroege dood in 1849 naliet, werd gedelgd door zijn keizerlijke zwager in ruil voor een groot deel van zijn schilderijenverzameling. Zodoende zijn de juwelen van Koningin Máxima te danken aan haar verre voorgangster Anna, maar hangen veel Vlaamse primitieven en Hollandse meesters tot op heden in de Hermitage.

Ironisch is dat Anna Paulowna naast vloeiend Russisch, Frans en Duits (‘van huis uit’) ook snel Nederlands leerde spreken, en wel beter dan haar man Willem II, die ze ‘mon Guillaume’ noemde en met wie ze vooral in het Frans communiceerde.

Ten slotte had ze Rusland nooit geheel achter zich gelaten: ze liet overal Russisch-orthodoxe kapellen bouwen en stak man en kinderen het liefst in Russische uniformen, dat nogal wat wenkbrauwen deed fronsen in Den Haag.

REACTIES EN EVALUATIE
Uit de ingevulde evaluatieformulieren bleek een positieve waardering, waar het organiserend comité van de GGU zeer tevreden mee mag zijn. Een “inhoudelijk zeer goed gevulde dag” oordeelde slaviste en vertaalster Carmen Vissers van Vissers Taalservice uit Apeldoorn na afloop.

Het 6e Slavisch Symposium zal worden gehouden te Kampen op zaterdag 25 november 2017, met als thema: ‘Kleine Talen in het Grote Rijk’.

Dr. Paul Cliteur in rechtszaak G. Wilders

De bekende Leidse rechtsfilosoof Prof. Dr Paul Cliteur heeft op zaterdag 29 oktober 2016 om 15 uur in de Broederkerk te Kampen de aftrap gegeven voor de GGU-serie ‘Grote Vragen over de Toekomst van…’ Zijn bijdrage ‘De Toekomst van de Rechtswetenschap en de Scheiding van Politiek en Recht’ stond mede in het teken van het Wilders-proces, waarvoor hij donderdag 3 november 2016 moest aantreden als getuige à décharge. Zonder aanhanger van Wilders te zijn, plaatst Cliteur grote vraagtekens bij de staatsrechtelijke juistheid van dit proces tegen een politiek leider dat per definitie een politiek proces is.
De discussie was een uitwisseling van gezichtspunten waardoor hij zich geïnspireerd wist. Onder de aanwezigen was ook een delegatie van de Commissie van Aanbevelingen tot Versterking van de Rechtsstaat (CAVR).

U kunt het optreden van Prof. Cliteur op 3 november 2016 integraal beluisteren.

Grote Vragen op Derde Zaterdagen

GGU START MET GROTE VRAGEN OP DERDE ZATERDAGEN

De Geert Grote Universiteit (GGU) komt naar Kampen en is bezig daarvoor het bibliotheekpand van de vertrokken Protestants Theologische Universiteit (PThU) aan de Oudestraat te verwerven. In afwachting van het verloop van het hele proces van aankoop, verbouwing en inrichting, wil de GGU zich nu al geregeld inhoudelijk presenteren aan de Kamper bevolking. Zij zal daarvoor vanaf september op de derde zaterdag van elke maand een serie “Grote Vragen op Derde Zaterdagen” organiseren in ‘De Levensbron’, die haar gastvrijheid biedt.

Het gaat steeds om een belangrijk thema, waarvoor meestal twee sprekers als opponenten worden uitgenodigd, die de gelegenheid krijgen hun standpunt voor het publiek te verdedigen. De GGU heeft deze vorm van discussie al eerder in Deventer met succes doorgevoerd en hoopt nu daarvoor in Kampen evenveel belangstelling te wekken. Bij de opening van het academisch jaar 2016-17 aan de Theologische Universiteit te Kampen brak de historicus Prof. James Kennedy al een lans voor zulke Grote Vragen als een uitstekend middel om gezichtspunten te verbreden.

In de eerste zitting op de derde zaterdag van september wil de GGU beginnen zich eens nader voor te stellen. Ze geeft daarom haar bedenker en stichter Dr J.D.J. Buve uitvoerig de gelegenheid om de filosofische achtergrond van de GGU te schetsen. Er is dan voldoende tijd om ongetwijfeld vele vragen te beantwoorden, inclusief die van praktische aard, waarvoor ook andere bestuursleden aanwezig zullen zijn.

Plaats: ‘De Levensbron’, Vloeddijk 62, Kampen.
Tijd: Zaterdag 17 september, 15-17 uur (zaal open om 14.30 uur)
Entree: 10 euro, studenten 3 euro (incl. thee / koffie)
Opgave kan via info(at)geertgrote-univ.nl

GGU-Recensie van R. Biskup, Rudolf Laun (1882-1975)

Gedachten bij het verschijnen van:
Rudolf Laun (1882-1975): Staatsrechtslehrer zwischen Republik und Diktatur door Rainer Biskup (Conference Point Verlag, Hamburg, 2010).

Nu er een voortreffelijk en afgewogen boek is verschenen over leven en werk van Rudolf von Laun, biedt zich een mooie gelegenheid aan om meer en détail na te gaan, waarom nu vijftien jaar geleden voor Von Laun als naamgever voor een Instituut voor Toegepaste Metafysica gekozen is. Zijn zoon Otto von Laun zei in 1995 hoogst verbaasd geweest te zijn, te vernemen dat zijn vader als metafysicus werd gewaardeerd, terwijl hij altijd van zijn vader had begrepen, dat hij er zelf juist beducht voor was als metafysicus te worden beschouwd.

In het derde deel van M. Stolleis’ Geschichte des öffentlichen Rechts in Deutschland werd Laun nog in 1999 tot de “betonten Positivisten der Weimarer Zeit” gerekend (142, noot 610), terwijl hij zich zijn hele leven tegen die positivisten, waaronder met name Hans Kelsen, heeft afgezet. Van de andere kant citeert Biskup een aantal prominente positivisten op Launs vakgebied (156), die zijn rechtsopvatting nadrukkelijk afwezen als niet voldoende positivistisch, of, zeg maar, als metafysisch verdacht of “angehaucht”. En dat zou weer goed aansluiten bij Marschall von Biebersteins analyse van Launs beroemde rede over de “Autonomie des Rechts” uit 1924, die hem tot metafysische associaties verleidt (156), terwijl Laun zelf in de derde druk van die Rectoraatsrede in 1935 onder de titel Recht und Sittlichkeit de nationaal-socialistische staatsopvatting voor “metaphysischen Unsinn” houdt. Want, zegt hij, die leer gaat ervan uit, dat het volk de “oberste Quelle des Rechts” zou zijn in plaats van het individuele geweten van alle burgers van een staat, dat voor Laun de hoogste rechtsbron is. Die individuen met hun geweten kun je namelijk aanwijzen (een belangrijk positivistisch criterium) en daarom kun je er ook objectief wetenschappelijk iets over zeggen, meent Laun. En dat is nu juist niet mogelijk als je, zoals de nationaal-socialisten, het volk beschouwt als iets dat kwalitatief verschilt van het geweten van individuele burgers. Dan wordt zo’n rechtsgevoel van een volk volgens Laun tot een soort “metaphysische Einheit”, die meer weg heeft van een geloofsdogma, waar je wetenschappelijk uiteindelijk niets mee kunt. Want, zegt Laun, “ich habe es mit Wissen und nicht mit Glauben zu tun” (204). En het wordt dan al helemaal ‘metafysisch’ als “nur der Lenker des Staates dieses Gewissen und Rechtsgefühl intuitiv volkommen erfassen könne,” zoals de Führer beweerde.

In zijn in de oorlog verschenen filosofische werk Der Satz vom Grunde karakteriseert hij de nationaal-socialistische periode als “eine Periode des zunehmenden metaphysischen Materialismus” (217): een soort contradictio in terminis, die de impasse duidelijk maakt, waarin Von Laun verstrikt geraakt is, omdat hij zijn inhoudelijk metafysische ideeën in de heersende positivistische wetenschapsleer wil inbedden. Voor Von Laun is het juist het individuele geweten, waarin het rechtsgevoel culmineert, dat er uiteindelijk voor moet instaan, dat recht ook als rechtvaardig wordt beschouwd en vooral als zodanig beleefd wordt. Het geweten is voor Von Laun dus een soort toets voor de rechtvaardigheid van recht, waar de positivisten helemaal niets van moeten hebben, omdat volgens hen alleen aan de wet getoetst kan worden. Dat is wetenschappelijk vereist, vinden zij, want rechtvaardigheid is een niet te bepalen waarde, juist omdat iedereen daar in zijn geweten anders over kan en misschien wel moet denken en dan kun je dat nooit hanteren als een criterium dat aanspraak maakt op wetenschappelijke objectiviteit.

Maar het grote probleem blijft natuurlijk – wat ook door Biskup duidelijk onderkend wordt – “die offensichtliche Machtlosigkeit des Positivismus angesichts ungerechter oder unsittlicher Gesetze” (158). En in Der Satz vom Grunde zegt Laun: “… die reine Rechts- und Staatslehre (van Kelsen, J.B.) hat keine Argumente gegen die Allmacht des Gesetzgebers, auch da, wo diese zu den scheusslichsten Zwecken missbraucht wird” (217).
Deze zin uit 1942 moet aan de censuur ontsnapt zijn. Hoe kan een wet onrechtvaardig zijn, als die wet zelf uiteindelijk het enige criterium is, waaraan die rechtvaardigheid getoetst kan worden? Het enig mogelijke antwoord is dan, dat die rechtvaardigheid in het recht geen rol mag spelen, omdat dat de formele loop van het recht ten koste van de rechtszekerheid zou doorbreken. Daarom zoekt Von Laun op een haast wanhopige manier naar de theoretische grondslag voor een juridische methode om de almacht van de wet te doorbreken zonder de rechtszekerheid in gevaar te brengen. En die grondslag meent hij gevonden te hebben in zijn theorie van de “Autonomie des Rechts”.

In een historisch debat over de ‘Gelijkheid voor de Wet’ op een treffen van de Vereinigung Deutscher Staatsrechtslehrer (maart 1927) gaat Von Laun in het krijt met de notoire positivist Hans Nawiasky. Het ging daarbij om de vraag of ook de wetgever van de Grondwet “an überpositive Normen gebunden” is. Laun noemt dan drie mogelijkheden
om daarin stelling te nemen: ofwel men ontkent eenvoudig dat er zo iets als normen boven de wet kunnen bestaan, ofwel men gelooft in een God als hoogste Wetgever of men gelooft in de autonomie van het Recht (126). In dat laatste geval, zegt hij, dient men zich uiteindelijk te houden aan de eisen, die het rechtsgevoel aan het eigen geweten stelt. Je ziet dan hoe Laun worstelt met de rechtszekerheid: het gaat er dus niet om, zegt hij, wat afzonderlijke parlementariërs gedacht hebben, toen zij de wet formuleerden. Wat telt, is hoe de wet overkomt op de brede massa. Iets wat algemeen geldig is, kan alleen gewonnen worden als de grote massa er mee instemt. En dat was, zoals ook Biskup erkent, een zwaktebod: “Laun stellt sich mit diesem kurzen Beitrag substantiell an den Rand der rechtlichen Diskussion.” Niemand van de aanwezigen ging dan ook verder op deze gedachten in (127).

Ik vermeld dit, omdat het in alle scherpte laat zien, dat een beroep op het geweten nooit in het verlengde van de wet kan liggen – zoals Von Laun in feite wél doet – , maar alleen als een parallelle weg naast de positieve wet begrepen kan worden. Het geweten kan aan de wet niets veranderen of toevoegen; het kan ook nooit een criterium worden voor de waardering of de interpretatie van de wet, maar wie het geweten inclusief het geweten van individuele volksgenoten niet beschouwt als iets waarvoor ook de positieve wetgever – en in wezen ook de rechter – het diepste respect moet opbrengen, die zaagt aan de poten van de democratie.

De wetgever kan nooit gedwongen worden te doen, wat het (collectieve) geweten wil of eist. Maar hij is wel gehouden dit geweten op een serieuze – en dat wil zeggen: kansrijke – wijze bij zijn afwegingen als wetgever of rechter te betrekken. Het geweten kan nooit met de wet concurreren, omdat het van een totaal andere orde is: het is niet fysisch, zoals de wet, maar metafysisch – en die twee sluiten elkaar contradictoir uit. Dat is de kern van de ‘dubbele waarheid’ (veritas duplex), zoals ik die nu in de nodige geschriften verdedigd heb, maar waar Von Laun nog niet aan toe was. Daarom moet altijd een keuze worden gemaakt en moet worden afgewogen tussen de rationele wet en het intuïtieve geweten. Wordt er met die afweging gesjoemeld, omdat men bijvoorbeeld ofwel de wet niet (helemaal) au sérieux neemt – door bijvoorbeeld het geweten boven de wet te stellen – of het geweten – door bijvoorbeeld de wet altijd het laatste woord te geven – , dan staat automatisch de democratie op het spel. Want zonder minstens impliciet rekening te houden met die metafysische dimensie van ons bestaan, is democratie niet mogelijk. Ook dat is een kernthema van de filosofie van de dubbele waarheid.
Zoals gezegd: wat Rudolf von Laun niet gezien heeft, is die contradictoiriteit van het fysische en het metafysische bestaan van de mens. Het lijkt wellicht wat onbegrijpelijk, dat de positivisten het belang van dit contradictoire voor de hele systematiek van het recht niet hebben gezien, terwijl ze wel pal achter Kants radicale scheiding tussen Sein und Sollen staan, die hen verplicht ook ‘recht’ en ‘moraal’ als twee absoluut onverenigbare grootheden te behandelen. Von Laun onderscheidt in dit verband tussen een “heteronomen Sollen” van het positief geldende recht dat voor hem eigenlijk de “unter Zwang gestellten Ordnung des ‘Müssens’” is, en een “autonomes Sollen”, dat “durch die Stimme des Gewissens unbedingt, kategorisch” verplicht (240).

Het behoeft geen betoog dat ‘autonoom’ en ‘heteronoom’ inhoudelijk contradictoire begrippen zijn en dat ze voor Von Laun (in tegenstelling tot de positivisten) beide in de rechtswetenschap thuis horen: heteronomie in de “juristische Staatslehre” en autonomie in de “Lehre von den Staatsidealen oder den politischen Idealen” (241). Daarmee introduceert hij echter in de Wetenschap van het Recht iets dat logisch onmogelijk, want contradictoir is, en dat is nu exact wat de metafysica doet en alleen in de metafysica mogelijk is.

Het is ook de reden waarom de positivisten zo’n leer van de staatsidealen mooi buiten de deur houden, omdat het wetenschappelijk onmogelijk is… als wetenschap fysisch en niet metafysisch gedefinieerd wordt. En dat laatste is nu precies waar Von Laun niet toe komt, omdat metafysisch voor hem onwetenschappelijk is. In de filosofie van de dubbele waarheid doen we die stap nu juist wél. Maar dat is alleen mogelijk als het waarheidsbegrip uit zijn positivistische c.q. Aristotelisch doordachte eenzijdigheid bevrijd wordt. En daarvoor moeten we terug naar Plato en zijn structurele dualisme.

Dr J.D.J. Buve
Directeur Rudolf von Laun Instituut voor Toegepaste Metafysica, Deventer
12 januari 2011

Uw reactie is welkom, laat hieronder een bericht achter of wissel met ons van gedachten op het GGU forum

Presentatie universitair vastgoed op GGU-donateursdag 2016

160711gguondernemingsplanomslag.inddDe GGU-Donateursdag op 20 augustus (de sterfdag van Geert Grote) wordt dit jaar voor het eerst in Kampen gehouden. Deze dag zal ditmaal in het teken staan van het document “GGU van Deventer nar Kampen”, dat vaste donateurs van de GGU op 20 juli hebben toegestuurd gekregen. Hierin staat beschreven hoe men zich voorstelt het gebouw van de voormalige UB van de Protestants Theologische Universiteit aan de Oudestraat 6 te Kampen te verwerven en geschikt te maken voor gebruik door de GGU en haar bondgenoten.

Het Ondernemingsplan 2016-2021 “GGU van Deventer naar Kampen” bestaat uit een inhoudelijk deel, een investeringsbegroting en een 5-jarige exploitatiebegroting. Het kan aan een ieder ter hand gesteld worden die van plan is steun te verlenen aan dit initiatief met nog moeilijk te voorziene gevolgen voor het aanzien van Kampen als universiteitsstad en voor de broodnodige ontwikkeling van de universitaire gedachte in Nederland en op termijn wellicht zelfs daarbuiten.

De goede zaak steunen kan bijvoorbeeld door als vrijwilliger te helpen of door fiscaal aftrekbare schenkingen aan de GGU te doen: een stichting met ANBI-status (Algemeen Nut Beogende Instelling). Maar ook kan men aandelen verwerven in de op te richten BV Universitair Vastgoed Kampen (UVK). Uiteraard is een universiteit geen supermarktketen. Maar de GGU is wel een op de toekomst gerichte private wetenschappelijke instelling, die haar geld uit de markt haalt met de ambitie om Kampen een universiteitsstad te laten blijven. Dit kan een ideële en duurzame investering in vastgoed zijn met laag rendement, maar ook met overzienbare risico’s. Immers: de exploitatie geschiedt door het eveneens op te richten Universitair Kapittel Kampen (UKK), een academische coöperatie. UVK krijgt een stem in het Kapittel en zal verder uitsluitend eigenaresse zijn van de universiteitsgebouwen, waardoor het aandeelhoudersrisico gering is.

Inhoudelijke delen van het Ondernemingsplan worden in de loop van augustus bij wijze van voorproefje op www.facebook.com/geertgrote gepubliceerd. Uiteindelijk zal het plan in opgemaakte vorm grotendeels op deze webpagina (www.geertgrote-univ.nl) te vinden zijn. Alleen de Bijlagen C en D (Investeringsbegroting resp. Exploitatiebegroting) zijn niet vrijelijk raadpleegbaar, maar worden uitsluitend in papieren vorm gedeeld met huidige GGU-donateurs en met andere serieuze kandidaat-investeerders.

Geslaagde eerste activiteit Geert Grote Universiteit i.o. in Kampen

Met de Von Laun Lezing 2016 ter gelegenheid van de dies natalis van het Rudolf von Laun Instituut voor Toegepaste Metafysica heeft de GGU op 16 februari haar eerste activiteit in Kampen er goed vanaf gebracht, te gast bij de TU Kampen aan de Broederweg.

Spreker was Prof. Dr Herman De Dijn van het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de KU Leuven, die zijn 30-koppig gehoor trakteerde op een uitermate boeiend betoog, geheel uit het hoofd, over de almaar groeiende kloof tussen ethiek en wetenschap.

den-deijn

In zijn inleiding memoreerde Sybrand Buve dat het voor het eerst in meer dan tien jaar was dat er weer een burgemeester aanwezig was bij de Von Laun Lezing. Dit was niet meer gebeurd sinds Burgemeester Margreeth de Boer van Leeuwarden acte de présence had gegeven. Nu was het Burgemeester Bort Koelewijn van Kampen die met zijn aanwezigheid de lezing luister bijzette en die bovendien na afloop, evenals vele andere aanwezigen, inhoudelijk goede vragen stelde aan Prof. De Dijn, wiens werk hij zelf ook bleek te lezen.

Naast mensen uit de regio Kampen, waren er natuurlijk trouwe GGU-volgers meegekomen uit Deventer, maar ook uit Den Haag en Amsterdam. Het was prachtig weer voor een dagje Hanzestad Kampen. Vooral de liefhebbers van onderwaterarcheologie kwamen aan hun trekken, want de onlangs naar boven gehesen Kamper Kogge was nog op de IJsselkade te bewonderen.

dendeijn2

Evenals bij zijn voorgangers het geval is, zal de uitgewerkte lezing van Herman De Dijn in druk worden uitgegeven.
De Dijn schaart zich met zijn lezing in het illustere gezelschap van houders van de Von Laun Lezing, zoals wijlen Bart Tromp, Frank Ankersmit, S.W. Couwenberg, D.H.M. Meuwissen, A.Q.C. Tak, Marc Vervenne en Guido Vanheeswijck.

SOCIALICON
GGU op Facebook
GGU op Youtube